Inhoud
Nederlands
Woordafbreking
- uit·la·ten
uitlaten
liet uit
uitgelaten
klasse 7
Werkwoord
(scheidbaar)
uitlaten
-
iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
- Laat jij de gasten even uit?
-
iets ~: een huisdier –meest een hond- naar buiten laten
- De hond wordt altijd 's avonds nog even uitgelaten.
-
zich ~ over: een uitspraak ergens over doen
- De bewindsman liet zich hier niet over uit.
Zelfstandig naamwoord
uitlaten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitlaat